6 december 2014

 

Eerste lezing uit de profeet Jesaja 30, 19-21+23-26

Zo spreekt de Heer, de heilige God van Israël: "Volk van Sion dat in Jeruzalem woont, gij zult niet langer wenen: De Heer zal u genadig zijn, zodra Hij uw geweeklaag hoort; Hij zal u antwoorden, zodra Hij uw geroep verneemt. Hij zal u het brood der verdrukking schenken en het water der nood. Uw leraar zal zich niet langer verbergen, uw ogen zullen de Leidsman zien. En uw oren zullen een stem achter u horen die zegt: 'Dit is de weg, volg hem, waarheen hij u ook leidt.' De Heer zal het laten regenen voor het zaad dat gij op uw akkers zaait; en het graan dat uw land voortbrengt zal voedzaam zijn en overvloedig. Op die dag zullen uw kudden grazen op onafzienbare weiden. En de ossen en de ezels die uw land beploegen zullen veevoer vreten met zout gemengd en met wan en gaffel gezuiverd. Van alle hoge bergen en alle hoge heuvels zal het water in beken naar beneden stromen, op de dag van de grote slachting, de dag dat de vestingen vallen. Dan zal het licht van de maan zijn als het licht van de zon, en het licht van de zon zal zeven keer zo sterk zijn op de dag dat de Heer de wonden van zijn volk verbindt en Hij de striemen geneest die Hij geslagen heeft.”

 

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteus 9, 35-10, 1+5-8

In die tijd ging Jezus rond door alle steden en dorpen, waar Hij onderricht gaf in hun synagogen en de Blijde Boodschap verkondigde van het Koninkrijk en alle ziekten en kwalen genas. Bij het zien van die menigte mensen werd Hij door medelijden bewogen, omdat ze afgetobd neerlagen als schapen zonder herder. Toen sprak Hij tot zijn leerlingen: "De oogst is wel groot maar arbeiders zijn er weinig. Vraagt daarom de Heer van de oogst arbeiders te sturen om te oogsten." Hij riep zijn twaalf leerlingen bij zich en gaf hun de macht om de onreine geesten uit te drijven en alle ziekten en kwalen te genezen. Deze twaalf zond Jezus uit met de opdracht: "Begeeft u niet onder de heidenen en gaat niet binnen in een stad van de Samaritanen; gij moet veeleer gaan naar de verloren schapen van het huis van Israël. Verkondigt op uw tocht: Het Koninkrijk der hemelen is nabij. Geneest zieken, wekt doden op, reinigt melaatsen en drijft duivels uit. Voor niets hebt gij ontvangen, voor niets moet gij geven."

 

Overweging

De oogst is wel groot, maar arbeiders zijn er weinig. (Matteüs 9,37)

Bij het vieren van de Advent stuiten we op een soort innerlijke tegenstelling. Advent is enerzijds een tijd om te ontvangen en de Heer in ons hart te verwelkomen, maar het is ook een tijd om weg te geven van wat we gratis en voor niets van de Heer gekregen hebben.

Dit principe van goddelijk tweerichtingsverkeer zien we ook terug bij de twee groepen mensen die Jezus in het evangelie van vandaag toespreekt. De eerste groep ontvangt Jezus’ onderwijs en wonderen. Jezus ziet hun behoeftigheid en heeft medelijden met hen. Hij kan hen niet links laten liggen, integendeel: Hij besteedt al zijn tijd aan hun noden (Matteüs 9,35-36).

Dan is er ook een tweede groep – de mensen die Hem het beste kennen en die zijn evangelie al eerder ontvangen hebben. Aan hen, zijn beste vrienden, geeft Hij de opdracht: “ga . . . naar de verloren schapen van het huis van Israël” (Matteüs 10,6). Hij stuurt ze erop uit om het goede nieuws te verkondigen en zelf het werk van het koninkrijk van de hemel te doen.

Laten we ons er maar niet druk over maken tot welke van de twee groepen wijzelf behoren. Het beste kunnen we maar gewoon accepteren dat we van beide groepen wat weg hebben. Enerzijds hebben we allemaal meer genezing nodig en moeten we de boodschap van het evangelie beter gaan verstaan. We hebben zondige plekken die aandacht vragen en vergeving nodig hebben. We moeten dus allemaal de nodige tijd met Jezus doorbrengen waarin Hij onze wonden kan verbinden en ons kan vullen met zijn genade.

Maar anderzijds hebben we allemaal veel wat we aan andere mensen kunnen doorgeven. Hoe vaak hoort u in deze tijd van het jaar geen mensen zeggen dat ze zo eenzaam zijn, of hoe schuldig ze zich voelen over bepaalde verkeerde beslissingen die ze genomen hebben? Aan deze mensen kunnen we aanbieden van wat wij al van de Heer ontvangen hebben. Misschien hebben ze niet meer nodig dan een vriendelijk en bemoedigend woord. Of misschien moeten ze horen hoeveel de Heer in hun leven kan doen. Niemand van ons is te “groen” in het geloof, allemaal kunnen we uitdelen van wat we ontvangen hebben.

Broeders en zusters, we dienen een royale God. Laten wij dus even royaal zijn en vrijuit weggeven wat we gratis hebben gekregen!

Gebed

Heer, raak iedereen aan die naar U zoekt. Gebruik mij om aan anderen uw overvloedige liefde te laten zien en ze te brengen tot de genade van een nieuw leven in U. Amen.

 

Bron: het Woord onder ons,
uitgegeven door Stichting KCV, Helmond