21 december 2014
4e zondag van de Advent

    o-antifonen

         

Eerste lezing uit het Tweede boek Samuel 7, 1-5+8b-11+16

Toen Koning David zijn intrek had genomen in zijn paleis en de Heer gezorgd had dat al zijn vijanden, in heel de omtrek, hem met rust lieten, zei hij tot de profeet Natan: “Nu moet u eens zien! Zelf woon ik in een paleis van cederhout en de ark van God staat onder tentdoek!” Natan zei tot de koning: “Doe gerust wat u van plan bent; de Heer staat u bij.”
Maar diezelfde nacht nog werd het woord van de Heer gericht tot Natan: “Zeg aan mijn dienaar David: zo spreekt de Heer: Gij wilt voor Mij een huis bouwen en Mij daarin laten wonen? Zo spreekt de Heer van de hemelse machten: Ik heb u uit de steppe gehaald, achter de schapen vandaan, om vorst te zijn over mijn volk Israël. Op al uw tochten heb Ik u bijgestaan, al uw vijanden heb Ik vernietigd, uw naam heb Ik groot gemaakt als die van de groten der aarde. Ik heb mijn volk Israël een gebied gegeven en het daar geplant om er te wonen, zonder nog opgeschrikt of verdrukt te worden door booswichten, zoals vroeger, in de tijd dat Ik over Israël, mijn volk, rechters had aangesteld. Ik heb gezorgd dat al uw vijanden u met rust laten. De Heer kondigt u aan dat Hij een huis voor u zal oprichten. Zo zal uw huis en uw koninklijke macht altijd stand houden; uw troon staat vast voor eeuwig.”

 

Tweede lezing uit de brief aan de Romeinen 16, 25-27

Broeders en zusters,
Aan Hem die bij machte is u te bevestigen in het evangelie van Jezus Christus dat ik verkondig - volgens de openbaring van het geheim dat eeuwenlang verzwegen bleef maar dat nu is onthuld, en dat krachtens de opdracht van de eeuwige God aan de hand  van profetische geschriften aan alle heidenvolken is bekend gemaakt om hen te brengen tot de gehoorzaamheid van het geloof - aan Hem, de enige, alwijze God zij de heerlijkheid door Jezus Christus in de eeuwen der eeuwen! Amen.

 

Uit het Heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas 1, 26-38

Toen Elisabeth zes maanden zwanger was werd de engel Gabriël van Godswege gezonden naar een stad in Galilea, Nazaret, tot een maagd die verloofd was met een man die Jozef heette, uit het huis van David; de naam van de maagd was Maria. Hij trad bij haar binnen en sprak: “Verheug u, Begenadigde, de Heer is  met u!” Zij schrok van dat woord en vroeg zich af, wat die groet toch wel kon betekenen. Maar de engel zei tot haar: “Vrees niet Maria, want gij hebt genade gevonden bij God. Zie, gij zult zwanger worden en een zoon ter wereld brengen, die gij de naam Jezus moet geven. Hij zal groot zijn en Zoon van de Allerhoogste genoemd worden. God de Heer zal Hem de troon van zijn vader David schenken en Hij zal in eeuwigheid koning zijn over het huis van Jakob en aan zijn koningschap zal nooit een einde komen.” Maria echter sprak tot de engel: “Hoe zal dit geschieden, daar ik geen gemeenschap heb met een man?” Hierop gaf de engel haar ten antwoord: “De heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook zal wat ter wereld wordt gebracht heilig genoemd worden, Zoon van God. Weet, dat zelfs Elisabeth, uw bloedverwante, in haar ouderdom een zoon heeft ontvangen en, ofschoon zij onvruchtbaar heette, is zij nu in haar zesde maand; want voor God is niets onmogelijk.” Nu zei Maria: “Zie de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord.” En de engel ging van haar heen.

 

Overweging

Verheug u, begenadigde (Lucas 1,28)

Oog in oog met de machtige engel Gabriël was Maria “geheel in verwarring” (Lucas 1,29). Gabriël maakte haar Gods plan bekend, dat ze zwanger zou worden door de heilige Geest en een zoon zou baren. En dat die zoon de troon van David zou erven en voor altijd zou regeren. En Maria was, ondanks het feit dat ze niet op alle vragen een antwoord had, in staat om te zeggen: “laat met mij gebeuren wat u gezegd hebt” (Lucas 1,38). 

Het zijn zulke simpele woorden, zo vol geloof, dat het ons zou kunnen ontgaan wat er allemaal achter schuil gaat. Door “ja” te zeggen tegen de engel zei Maria ook “nee” tegen allerlei andere dingen. Ze sloot de deur naar een ander leven dat ongetwijfeld hele andere charmes zou kennen: een leven van stille contemplatie, buiten de schijnwerpers, omringd door vrienden en familie, een leven van alledaags genieten en van alledaagse zorgen. Door het uitspreken van een paar woordjes liet ze al haar dromen varen om in plaats daarvan Gods dromen te aanvaarden.

Bij het lezen van deze passage kun je versteld staan over Maria’s geloof – en je kunt tegelijkertijd beschaamd staan over je eigen gebrek aan geloof. Maar het is belangrijk erop te letten dat Gabriël, toen hij Maria begroette, haar aansprak als begenadigde, niet als gelovige. Maria’s “ja” tot God was het gevolg van de genade die God haar had gegeven, en niet van haar eigen wilskracht en sterke persoonlijkheid. 

Dit is een cruciaal punt voor ieder van ons. Want als het erop aankomt, is geloof niet iets wat we uit onszelf kunnen ontwikkelen. Het is een cadeau dat we krijgen van een genadige, vrijgevige God. Het is een genade die Hij in ons uitstort, een levenskrachtig zaadje dat erop wacht in de voedingsbodem van ons hart te vallen. We kunnen wel denken dat we een zwak geloof hebben, maar de waarheid is dat God ons al het geloof gegeven heeft dat we ooit nodig zullen hebben. We moeten alleen leren hoe we met dit grote cadeau moeten omgaan.

Dus wat denkt u? Kunt u vandaag “ja” tegen God zeggen? Ja, dat kunt u. Gods genade staat er garant voor!

Gebed

Vader, dank U voor het cadeau van het geloof. U kennen is de grootste vreugde in mijn leven. Amen.

 

Bron: het Woord onder ons,
uitgegeven door Stichting KCV, Helmond